De wetenschap en geschiedenis van radiofrequentie en Indiba

Radiofrequentie maakt deel uit van het elektromagnetische spectrum. Het werd voor het eerst ontdekt door twee zeer dappere Franse jongens (een fysioloog genaamd d’Arsonval en zijn trouwe assistant) in de 19e eeuw. Ze ontdekten dat het mogelijk was om lichaamsweefsel te verwarmen. Tijdens hun vele experimenten dachten ze dat ze zouden sterven en dat allemaal in de naam van de wetenschap!). Ze leefden om hun verhaal te vertellen en meer dan dat; ze ontdekten dat het gebruik van 1 ampère een verwarmend gevoel gaf. Hun ontdekking werd nadien door enkele bekendere namen, zoals Nikola Tesla en Heinrich Hertz, verder ontwikkeld.

Nu maken we een sprong in de tijd naar de biomedische wetenschappers, die in 1983 begonnen met het onderzoeken van het toepassen van radiofrequente elektromagnetische stromen in therapie. Toen werd het eerste radiofrequente apparaat gelanceerd, dat nu INDIBA wordt genoemd. Lang geleden noemden we de technologie TEC of TECAR en de toepassing van deze technologie Tecartherapie. Aangezien deze omschrijving niet echt duidelijk omschreven is, gebruiken wij vandaag en ook de wetenschappelijke gemeenschap de term CRET (capacitieve resistieve elektrische overdracht) of CRMRF (capacitieve resistieve monopolaire radio frequentie).

Sinds de lancering van het allereerste apparaat heeft INDIBA zijn technologie verder ontwikkeld rond 0,5 MHz en zijn specifieke radiofrequentietoepassingen gedefinieerd tot 448 kHz en dit gebaseerd op het uitvoerig wetenschappelijk testen en het vergelijken van frequenties in dit bereik.

 

Gedurende meer dan 19 jaar moleculair onderzoek aan de afdeling Bio Electro Magnetica van het Ramón y Cajal Ziekenhuis in Madrid zijn er talrijke artikelen gepubliceerd. Ze hebben de optimale radiofrequentie van 448 kHz vastgesteld door te kijken naar stamcellen, gezonde menselijke cellen en kankercellen. Dit belangrijke onderzoek heeft stamceldifferentiatie en kankercelgerelateerde effecten aangetoond, wat de veiligheid en efficiëntie van de biostimulatie van INDIBA 448kHz-technologie aantoont (Hernandez-Bule et al 2014a, b, 2017).

Al meer dan 35 jaar hebben we onze technologie geperfectioneerd, met de nieuwste lancering van onze CT-apparaten met de meest stabiele frequentie tot nu toe en een nieuwe functie van continue modulatie. Beide eigenschappen maken een nog veiligere en effectievere behandeling van acute verwondingen mogelijk wanneer het absoluut noodzakelijk is dat weefselverwarming niet optreedt (Feibal en Fast 1976, Wallace et al 1979).

Biostimulatie wordt gebruikt bij acute verwondingen zonder thermisch effect, waardoor weefselherstel wordt versneld, pijn wordt verminderd en zwelling wordt verminderd. Het natuurlijke herstelproces van het lichaam verloopt sneller en belangrijker nog: er is nog steeds een toename van de bloedstroom die zuurstof en voedingsstoffen levert voor het herstelproces (Kumuran en Watson 2018).

In de subacute en chronische aandoeningen wordt de biostimulatie van INDIBA gecombineerd met een diep thermisch effect dat meer dan 45 minuten aanhoudt (Kumaran en Watson 2015), waardoor de diepe bloedstroom en het volume aanzienlijk toenemen (Kumaran en Watson 2018a). Dit levert een enorme hoeveelheid voedingsstoffen en zuurstof en kan de energie leveren die nodig is om herstel te stimuleren van chronische aandoeningen!

 

 

 

 

Enkele voorbeelden:

  • Tendinopathie (Achilles, schouder)
  • Artrose
  • Post-operatie
  • Spiertranen
  • Verstuikingen en verrekkingen
  • Bevordering van fractuurgenezing
  • Pijn verminderen
  • Lagerug pijn
  • Spierspanning
  • Triggerpunten

Indiba technologie wordt gecombineerd met revalidatieoefeningen; ofwel door deze uit te voeren tijdens een Indiba behandeling of door gebruik te maken van de thermische effecten na een INDIBA behandeling.

Door de vele gepubliceerde onderzoeken heeft Indiba de absolute marktpositie voor wat betreft radiofrequente toepassingen en beschikken ze over de meest betrouwbare radiofrequentieapparaten. Geen enkel ander bedrijf investeert zoveel in onderzoek en ontwikkeling.

Onze klanten en hun patiënten kunnen er op vertrouwen dat de Indiba technologie volledig veilig is.

Bekijk hieronder enkele voorbeelden van ons onderzoek of neem contact met ons op. Onze experten kunnen u alles vertellen over elektrotherapie en meer bepaald over radiofrequentie.

Op dit moment hebben we nog steeds niet alle verschillende gezondheidsvoordelen van 448 kHz-frequentie ontdekt. Studies vinden continu plaats en de volgende universiteiten hebben reeds onderzoeken over INDIBA® gepubliceerd:

  • European University Cyprus (Nicosia, Cyprus)
  • Hertfordshire University (Hatfield, United Kingdom)
  • Konkuk University (Seoul, Korea)
  • Oxford University (Oxford, United Kingdom)
  • Sapienza Universitá di Roma (Rome, Italy)
  • Universidad Autónoma de Madrid (Madrid, Spain)
  • Universidad CEU Cardenal Herrera (Elche, Spain)
  • Universidad de Alcalá (Alcalá de Henares, Spain)
  • Universidad de Córdoba (Córdoba, Spain)
  • Universidad FASTA (Buenos Aires, Argentina)
  • Universidad Politécnica de Madrid (Madrid, Spain)
  • Università degli studi di Bari Aldo Moro (Bari, Italy)
  • Università degli studi di Firenze (Florence, Italy)
  • Università degli Studi di Padova (Padova, Italy)
  • Universitat Autònoma de Barcelona (Bellaterra, Spain)
  • Universitat Pompeu Fabra (Barcelona, Spain)
  • Universitat Rovira i Virgili (Reus, Spain)
  • University of Western Greece (Patra, Greece)

 

Clinical research

Adipose- Derived Stem Cell Proliferation (in vitro)

Treatment with 448kHz electric stimulus increased cartilage-specific collagen type II by 51% and glycosaminoglycans by 20% in respect to sham groups.

Hernández-Bule ML, María Trillo Á, Martínez-García MÁ, Abilahoud C, Úbeda A (2017) Chondrogenic Differentiation of Adipose-Derived Stem Cells by Radiofrequency Electric Stimulation. J Stem Cell Res Ther 7: 407

 

 

Clinical research

Improving Pain and Function in Osteoarthritis RCT

4 weeks INDIBA treatment with exercise and advice (control and placebo groups) with 3 months follow up

INDIBA treated group had a 66% reduction in pain from baseline, at 3 months follow up pain was still reduced by 45%. Control group was 8%

Functional quality of life was measured by WOMAC; 45% decrease in score at 4 weeks and 38% at 3 months.

Read more

Kumaran B, Watson T. Treatment using 448kHz capacitive resistive monopolar radiofrequency improves pain and function in patients with osteoarthritis of the knee joint: a randomised controlled trial. Physiotherapy (2017).

Clinical research

Blood flow response to INDIBA applications

Skin flow response from 17 participants showed a significant change in the group treated with INDIBA in respect to placebo and control groups.

Kumaran B, Watson T. Capacitive resistive monopolar radiofrequency (CRMRF) therapy at 448kHz: localised application significantly enhances and sustains skin physiological responses. World Conference for Physical Therapy congress 2015, Singapore; 05/2015.

Wat zijn triggerpoints of spierknopen?

Myofasciale triggerpoints (MTrP’s) zijn microverkrampingen in spieren die aanvoelen als kleine pijnlijke verhardingen of ‘knoopjes’. Een triggerpoint of spierknoop kan bewegingsbeperkingen, stijfheid, krachtverlies en pijnklachten veroorzaken.

Een spier is opgebouwd uit afzonderlijke spiervezels, die in een ruststand noch uitgerekt, noch samengetrokken zijn. Een triggerpoint zorgt ervoor dat de spiervezels in rusttoestand op bepaalde punten meer samengetrokken zijn en dat de spierspanning hoger is. Hierdoor ontstaat een lokale verdikking met een slechte doorbloeding waardoor afvalstoffen zich ophopen. Een triggerpoint kan worden gezien als een spierknoop: een bundeltje spiervezels dat zich niet ontspant, maar strak aangespannen blijft.

Een triggerpoint kan een vicieuze cirkel van klachten veroorzaken. Door de pijn ontstaat er meer spierspanning; door deze verhoogde spierspanning komt er druk op kleine zenuwen, wat de pijn verergert; tevens wordt door de verhoogde spierspanning de doorbloeding van de spier minder. Aanvoer van voedingsstoffen neemt af en afvalstoffen worden slechter afgevoerd. De spier verkort zich, waardoor de beweeglijkheid van de spier vermindert en stijfheid ontstaat, wat de pijn ook weer verergert.

Een triggerpoint of spierknoop is dus een continue contractietoestand of verkramping van een gedeelte van een spier. Deze verkramping is door een ervaren therapeut te voelen als een knoop/verdikking in de spier. Deze knoop heeft ongeveer de grootte van een erwt. Een triggerpoint is niet hetzelfde als spierkramp. Je spreekt van kramp als een complete spier zich heftig samentrekt. Een triggerpoint is een verkramping van een klein deel van de spier. Een spierkramp kan zich binnen enkele minuten weer ontspannen. Triggerpoints ontspannen zich om fysiologische redenen niet zo snel en kunnen lang blijven bestaan en voortdurend pijnklachten geven.

Triggerpoints kunnen hoofdpijn, pijn in de nek en kaak, pijn in de onderrug, een tenniselleboog en andere klachten geven. Ze kunnen de oorzaak zijn van pijn in gewrichten, zoals de schouder, pols, heup, knie en enkel, die vaak worden aanzien voor artritis, tendinitis, sinusitis, artrose en gevoelloosheid in handen en voeten. Zelfs fibromyalgie kan zijn oorsprong hebben in triggerpoints.

Symptomen die door triggerpoints worden veroorzaakt komen voor in voorspelbare patronen. Als je weet waar je ze moet zoeken, zijn triggerpoints gemakkelijk te vinden en uit te schakelen. Van buitenaf zijn triggerpoints voelbaar als pijnlijke harde bobbeltjes. Wanneer er flinke druk wordt opgegeven, kan dit een uitstralende pijn opwekken in de triggerpoint zelf of in een ander deel van het lichaam.

Een spier is opgebouwd uit afzonderlijke spiervezels. In de normale ruststand is een spiervezel noch uitgerekt, noch samengetrokken. Wanneer een overbelaste spier door een microscoop wordt bekeken, blijkt dat een aantal spiervezels op een bepaald punt meer zijn samengetrokken dan in het omringende gebied. Hierdoor ontstaat een lokale verdikking en een slechte doorbloeding waardoor afvalstoffen zich ophopen. Triggerpoints houden de spiervezel op grote spanning en verkort de spier. Dit veroorzaakt een stijf gevoel in een spier en bewegingsbeperking.

Veel van alle pijnproblemen zijn terug te herleiden tot triggerpoints. Triggerpoints voelen aan als een strakke band in de spier. Zo’n triggerpoint zorgt ervoor dat de spier strak getrokken wordt, wat weer effect heeft op de peesaanhechtingen en pezen van de spier. Dit veroorzaakt weer symptomen in nabijgelegen gewrichten. In en om de aangespannen spier is de bloedcirculatie beperkt waardoor afvalstoffen niet goed kunnen worden afgevoerd en zuurstof en voedingsstoffen de spier slecht kunnen bereiken. Resultaat: verergering van de pijnklachten.

Triggerpoints zijn dus voelbare verdikkingen in het spierweefsel die plaatselijk of op een andere locatie pijn veroorzaken. Het zijn spiervezels die continue in aangespannen toestand zijn waardoor lokaal de bloedcirculatie belemmerd is en afvalstoffen zich ophopen met alle gevolgen van dien. De lokale belemmering van de bloedvoorziening naar de spierknoop zelf, zorgt ervoor dat deze spierknoop te weinig zuurstof en energie krijgt. En een spiervezel heeft energie nodig om zich te ontspannen. Hierdoor blijft de spierknoop in deze contractie toestand zitten. Door de verkramping zal de spier ook verkorten hetgeen pijn veroorzaakt aan de peesaanhechtingen.

Echter triggerpoints kunnen ook pijnklachten op een hele andere soms onverwachte plek veroorzaken. Dit noemt men afgeleide pijn, welke in voorspelbare patronen voorkomen in het lichaam. Elk triggerpoint heeft een specifiek pijn uitstralingsgebied dat in veel gevallen een ander gebied bestrijkt dan de plek van het triggerpoint zelf. Een triggerpoint in een bepaalde halsspier (scalenus spier), veroorzaakt een pijn die uitstraalt tot in de vingers. En triggerpoints in de monnikskapspier (trapezius spier), kan leiden tot hoofdpijn.

De kenmerkende symptomen van een triggerpoint:

 Afgeleide pijn

Afgeleide pijn is het meest kenmerkende voor een triggerpoint. Simpel gezegd is afgeleide pijn, pijn die je voelt op een andere plaats in het lichaam. Elk triggerpoint heeft zijn eigen kenmerkende uitstralingsgebied. De triggerpoints en hun kenmerkende pijnpatronen zijn in kaart gebracht dankzij het 60 jaar durende pionierswerk van de artsen Janet Travell en David Simons. Spanningshoofdpijn, kaakpijn, oorpijn en ischias kunnen uitingen zijn van afgeleide pijn van triggerpoints. Pijn in de onderrug kan afkomstig zijn van triggerpoints in de bilspieren, buikspieren en zelfs kuiten. Afgeleide pijn is dus het belangrijkste kenmerk van een triggerpoint. Het veroorzaakt niet alleen pijn op de plek zelf, maar ook op andere plaatsen.

Samendrukken van bloedvaten en zenuwen

De triggerpoints kunnen op zenuwen drukken die in de buurt van het triggerpoint lopen. Dat leidt dan tot abnormale sensaties als doofheid, jeuk, een brandend gevoel en overgevoeligheid in de gebieden die door de zenuw worden verzorgd. Ook kan een triggerpoint een bloedvat samendrukken, waardoor bijvoorbeeld koude handen of voeten ontstaan.

Autonome effecten

Deze worden veroorzaakt door het autonome zenuwstelsel. Dit zenuwstelsel bestuurt de spieren en de klieren van het spijsverteringsstelsel, de bloedvaten, het hart, het ademhalingssysteem en de huid. Enkele bekende effecten zijn: evenwichtsstoornissen, bloeddoorlopen of heftig tranende ogen, wazig zicht, een hangend ooglid en overmatige speekselvorming.

Problemen met bewegen

Om te bewegen is het nodig dat sommige spieren zich verkorten en dat andere langer worden. Triggerpoints kunnen ervoor zorgen dat een spier beide niet graag doet. Uitrekken en samentrekken van de spier verergert de pijn, waardoor je geneigd bent steeds minder te bewegen. Doordat de aangedane spier steeds minder hoeft te doen, worden andere spieren meer belast. Op die manier ontwikkelen ook die spieren triggerpoints. Hierbij kunnen hele ledematen en soms een hele lichaamszijde betrokken raken.

Triggerpoints kunnen ontstaan in allerlei situaties waarin spieren op een onprettige manier worden gebuikt.

Samengevat kunnen dit de oorzaken zijn:

  • Overbelasting van spieren door het herhaaldelijk uitvoeren van één dezelfde beweging, zelfs als ze maar een kleine belasting vergen.
  • Als spieren langdurig statisch aangespannen worden.
  • Als spieren gedurende een langere tijd onbeweeglijk of inactief zijn, dit bevordert het verstijven en verzwakken van spieren.
  • Overbelasting van spieren door kortdurende zware inspanning (b.v. zwaar tillen, sporten, in de tuin werken).
  • Overbelasting van spieren door een verkeerde houding.
  • Stress, dit brengt het lichaam in een verhoogde staat van paraatheid. Dit leidt tot een verhoogde spierspanning waardoor triggerpoints sneller kunnen ontstaan.
  • Plotselinge schokken, valpartijen en botsingen. Scheefstand van wervels.

Een triggerpoint kan dus ontstaan door een acute (verkeerde beweging, ongeluk) of chronische (langdurige verkeerde werkhouding) overbelasting. Meestal ontstaan klachten door een samenhang van verschillende factoren. Bijvoorbeeld: een combinatie van overbelasting van de betreffende spier (door werk of trauma etc.) met ongunstige omstandigheden zoals stress, vermoeidheid, slechte voeding, spieren die niet kunnen ontspannen etc. Soms is de oorzaak voor het ontstaan van de klacht voor een patiënt duidelijk (b.v. val van een trap) maar vaak weet men niet precies de oorzaak en zijn de klachten geleidelijk ontstaan en toegenomen

Wat zijn de gevolgen van triggerpoints?

Dat triggerpoints ten grondslag kunnen liggen aan een groot aantal aandoeningen, is als volgt te verklaren:

  • Een triggerpoint in een spier houdt de gehele spier op spanning. Dit leidt tot een pijnlijke stijfheid en klachten als: stijfheid van nek en schouders, rugpijn, spierkramp, etc.
  • Door hoge spanning in de spier oefent de aanhechting van de spier (pees) meer trekkracht uit op het bot wat kan leiden tot aanhechtingsproblemen. Bekend zijn de tenniselleboog, een tendinitis aan de schouder en achillespeesklachten.
  • De hoge spanning in een spier die in stand wordt gehouden door aanwezige triggerpoints, kan tevens leiden tot inklemmen van andere delen zoals bloedvaten en zenuwen.
  • Tenslotte kunnen triggerpoints vanwege hun afgeleide pijn de oorzaak zijn van hoofdpijn of brandende pijn aan de armen en benen of hoofd en romp.

Hoe kunnen triggerpoints het beste worden aangetoond?

De anamnese of vraaggesprek maakt een belangrijk deel uit van het aantonen van myofasciale pijn. Er moet worden geïnformeerd naar het type, de intensiteit, de duur, de frequentie en de locatie van de pijn. En tevens naar verlichtende en verergerende factoren. Het lokaliseren van de triggerpoints kan het beste gebeuren door te voelen met directe vingerdruk, vlakke palpatie of knijppalpatie waarbij een druk wordt aangehouden om uitstralende pijn te provoceren. Het stimuleren van de lokale pijn of uitstralingspijn door druk is de meest betrouwbare diagnostische methode voor het lokaliseren van triggerpoints. Er zijn een aantal symptomen die sterker wijzen op de aanwezigheid van triggerpoints, dat zijn: lokale pijn die verergert bij activiteit, lokale pijn bij druk geven, uitstralingspijn, het kunnen opwekken van een herkenbaar pijnpatroon. Het aanwezig zijn van strakke strengen in de spier, het optreden van een lokale twitch response, verminderde lenigheid en gevoeligheid van de spier wijzen in minder grote mate op het aanwezig zijn van triggerpoints.

Hoe worden triggerpoints behandeld?

 Triggerpoints kunnen effectief behandeld worden met:

  • Dry needling
  • Shockwave therapie.
  • High Intensity Laser Therapy.

Men kan triggerpoints behandelen door er een acupunctuurnaald erin te steken, hetgeen Dry needling wordt genoemd. Bij het aanprikken met een acupunctuurnaald van een triggerpoint ontstaat er een local twitch respons (een korte spiertrekking), welke even een kortdurende pijn geeft. Na een twitch ontspant de triggerpoint zich. Hieronder een filmpje van een local twitch respons

Een nieuwere behandelingsmethode om triggerpoints te behandelen is de Shockwave therapie, waarbij men gebruikt maakt van schokgolven om de triggerpoints te inactiveren.

Uniek en effectief is de combinatie van deze behandelingsmethoden, wat gebeurt tijdens de “Gecombineerde pijnbehandeling”. Door de triggerpoints effectief te behandelen kan men zien dat niet alleen de pijn in de spier zelf verbetert, maar ook de pijnklachten in het uitstralingsgebied.

 

Hoe de ideale behandeltafel kiezen?

Een behandeltafel is een onmisbaar hulpmiddel in een praktijk voor kinesitherapie, osteopathie, manuele therapie, bekkenbodemtherapie … Het is zonder twijfel het hulpmiddel dat je het vaakste gebruikt en daarom willen wij jou helpen de beste keuze te maken.

De juiste vragen stellen om de juiste keuze te maken.

Wat zijn jouw behoeften & wensen?

  • Een vaste of variabele hoogte?
  • Een bepaalde maximale hoogte op basis van mijn lichaamsbouw of deze van mijn collega’s?
  • Een 2 of 3 delig voor de traditionele behandelingen of 4 / 5 / 6 / … delig die specifieke posities toestaat voor bepaalde manipulaties?
  • Pli, tractie, zitpositie, Trendelenburg?
  • De patiënt zittend of liggend behandelen zonder hem te moeten draaien?
  • Een kringschakelaar om de hoogte aan te passen?
  • Zeer comfortabele bekleding omdat mijn patiënten het comfort waarderen of met een hardere bekleding met hogere densiteit omdat het bepaalde manipulaties vergemakkelijkt?
  • Verstelbaar hoofddeel, gezichtsopening, tractie, papierrolhouder … omdat ik belang hecht aan accessoires?
  • Verwarming voor het comfort van mijn patiënten?
  • Wielmechanisme zodat ze gemakkelijk verplaatsbaar is?
  • Gebruikt als primaire of als secundaire behandeltafel?

De levering

Wanneer je de juiste behandeltafel hebt gekozen, vergeet dan niet om rekening te houden met de levering. Een behandeltafel is omvangrijk, zwaar en breekbaar, de installatie ervan kan in sommige praktijken complex zijn. Aarzel ook niet om ons van tevoren te informeren over de specifieke situatie, dat bespaart ons tijd en stelt ons in staat om de levering aan uw situatie aan te passen.

We bieden een service variërend van levering voor de deur tot de gebruiksklare installatie.

 

Short-Term Efficacy of Kinesiotaping versus Extracorporeal Shockwave Therapy for Plantar Fasciitis

Abstract

Background: Plantar fasciitis is a degenerative condition that is one of the most common causes of heel and foot pain. Among noninvasive management of plantar fasciitis, extracorporeal shockwave therapy (ESWT) has been extensively studied and found to be effective, but few studies have assessed the effectiveness of kinesiotaping (KT) method.

Objective: This study aimed to show the effectiveness of KT compared with ESWT in the management of plantar fasciitis.

Methods: A total of 84 patients with plantar fasciitis were enrolled from a single center and randomized into KT and ESWT treatment groups in a 1:1 ratio (i.e., 42 patients in each group); only one foot was considered for each patient. Both KT and ESWT were applied once a week for 6 weeks. Patients’ pain, functional status and quality of life were evaluated with the visual analog scale (VAS), Foot Function Index (FFI) and the Short-Form-36 (SF-36) health survey, respectively. Patients’ fat pat and plantar fascia thickness were measured using ultrasonography. All evaluations were performed before and immediately after the 6-week intervention.

Results: In the KT group, six patients were lost to follow-up; therefore, the final analysis only included 36 patients. After the intervention, there was a statistically significant improvement in the VAS and SF-36 scores of both groups (P = 0.001), but the FFI score improvement was statistically significant only in the KT group (P = 0.001). In both groups, the mean thickness of plantar fascia decreased after treatment and the mean thickness of the fat pat increased; however, the change was not statistically significant (P = 0.935 and P = 0.832, respectively).

Conclusion: Both KT and ESWT treatments improved pain levels and quality of life in patients with plantar fasciitis, but KT also improved functionality. Multicentered studies with larger sample size and longer follow-ups are required to further validate these findings.

Keywords: Extracorporeal shockwave therapy; heel pain; kinesio tape; pain; plantar fasciitis; quality of life.

Free PMC article

Effects of Extracorporeal Shockwave Therapy on Improvements in Lymphedema, Quality of Life, and Fibrous Tissue in Breast Cancer-Related Lymphedema

Objective: To evaluate the effects of extracorporeal shockwave therapy (ESWT) on improving lymphedema, quality of life, and fibrous tissue in patients with stage 2 lymphedema.

Methods: Breast cancer-related lymphedema patients referred to the rehabilitation center were recruited. We enrolled stage 2 lymphedema patients who had firmness of the skin at their forearm, a circumference difference of more than 2 cm between each arm, or a volume difference between upper extremities greater than 200 mL, confirmed by lymphoscintigraphy. The patients were randomly divided into the ESWT group and the control group. ESWT was performed for 3 weeks (two sessions per week); both groups received complex decongestive physical therapy. All patients were evaluated at baseline and at 3 weeks after treatment. The measurements performed included visual analog scale score, volume, circumference, QuickDASH (Quick Disabilities of the Arm, Shoulder and Hand) score, bioelectrical impedance, and skin thickness.

Results: The patients in both groups (n=15 in each group) completed the 3-week therapy experiment. No significant differences were observed in demographic characteristics between groups. After the 3-week treatment period, improvement was noted in the circumference difference below the elbow, volume, ratio of extracellular water to total body water, and skin thickness in the ESWT group. A significant difference was found in all the above-mentioned areas except in circumference below the elbow in the ESWT group.

Conclusion: ESWT reduced edema and skin fibrosis without significant complications. Therefore, ESWT can be used together with complex decongestive physical therapy for treating lymphedema.

Keywords: Breast cancer lymphedema; Electric impedance; Extracorporeal shockwave therapy; Fibrosis.

Bron: Pubmed – https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/32986941/

Het gebruik van Indiba Activ bij Pelvic Health

Stuitklachten, m. Obturatorius Internus en m. iliopsoas

Docent:

Dr. Marijke Slieker-ten Hove is directeur van het ProFundum Instituut. Zij is 18 jaar verantwoordelijk geweest voor de Masteropleiding Bekkenfysiotherapie in Nederland. Marijke is betrokken geweest bij de ontwikkeling van het bekkenbodemcentrum van het Erasmus MC en heeft jarenlang gewerkt met dr. Schouten, colorectaal chirurg. Op dit moment is zij als bekkenfysiotherapeut betrokken bij de diagnostiek van complexe bekkenbodempatiënten die zijn doorverwezen naar het bekkenbodemcentrum van het Erasmus MC. Dr. Marijke Slieker- ten Hove is lid van het KNGF, van het ICS en van de IUGA.

Overactieve bekkenbodem, seksuele problemen en anale klachten

Docent:

Alma Brand is algemeen en bekkenfysiotherapeute met specialisatie seksuologie en psychologie. Ze is tevens werkzaam als buitenpromovenda bij de Open Universiteit waar ze onderzoek doet naar: “Characteristics of young adult women in a pelvic physical therapy practice in the Netherlands”

Prolaps, littekens en fibrosering, hematomen en spataderen

Docent:

Fetske Hogen Esch is één van de pioniers in het vak. In 1991 richtte ze haar praktijk, Bekkenfysiotherapie Hogen Esch, op. Daarnaast is ze al ruim twintig jaar verantwoordelijk voor de inhoud van het bekkenfysiotherapie onderwijs in Nederland. Fetske is in binnen- en buitenland bekend om haar deskundigheid en persoonlijke benadering met betrekking tot pijnklachten in buik, lage rug en bekken. Dat leidde tot de oprichting van F-act Pelvic Pain Clinic. Patiënten uit de hele wereld weten deze pijnkliniek te vinden. Fetske is lid van het ICS.

 

=> Link om de webinars te herbekijken: https://www.gotostage.com/channel/tendim

 

Effects of In-Season Velocity- Versus Percentage-Based Training

Abstract

PURPOSE:

To compare the effects of velocitybased training (VBT) vs percentage-based training (PBT) on strength, speed, and jump performance in academy rugby league players during a 7-wk in-season mesocycle.

METHODS:

A total of 27 rugby league players competing in the Super League U19s Championship were randomized to VBT (n = 12) or PBT (n = 15). Both groups completed a 7-wk resistance-training intervention (2×/wk) that involved the back squat. The PBT group used a fixed load based on a percentage of 1-repetition maximum (1-RM), whereas the VBT group used a modifiable load based on individualized velocity thresholds. Biomechanical and perceptual data were collected during each training session. Back-squat 1-RM, countermovement jump, reactive strength index, sprint times, and back-squat velocity at 40-90% 1-RM were assessed pretraining and posttraining.

RESULTS:

The PBT group showed likely to most likely improvements in 1-RM strength and reactive strength index, whereas the VBT group showed likely to very likely improvements in 1-RM strength, countermovement jump height, and back-squat velocity at 40% and 60% 1-RM. Sessional velocity and power were most likely greater during VBT compared with PBT (standardized mean differences = 1.8-2.4), while time under tension and perceptual training stress were likely lower (standardized mean differences = 0.49-0.66). The improvement in back-squat velocity at 60% 1-RM was likely greater following VBT compared with PBT (standardized mean difference = 0.50).

CONCLUSION:

VBT can be implemented during the competitive season, instead of traditional PBT, to improve training stimuli, decrease training stress, and promote velocity-specific adaptations.

KEYWORDS:

competitive season; load–velocity relationship; resistance trainingtraining load; velocitybased training

Source: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31672928

 

Does the Application of Tecar Therapy Affect Temperature and Perfusion of Skin and Muscle Microcirculation?

Author information

1
Rehabilitation Research Laboratory (2rLab), Department of Business Economics, Health and Social Care, University of Applied Sciences and Arts of Southern Switzerland, Landquart, Switzerland.
2
Thim Van Der Laan AG, International University of Applied Sciences THIM, Landquart, Switzerland.
3
Faculty of Physical Education and Physical Therapy, Vrije Universiteit Brussel, Brussels, Belgium.
4
Department of Business Economics, Health and Social Care, University of Applied Sciences and Arts of Southern Switzerland, Manno, Switzerland.
5
Department of Innovative Technologies, University of Applied Sciences and Arts of Southern Switzerland, SUPSI, Manno, Switzerland.

Abstract

Background: Tecar therapy (TT) is an endogenous thermotherapy used to generate warming up of superficial and deep tissues. TT capability to affect the blood flow is commonly considered to be the primary mechanism to promote tissue healing processes. Despite some preliminary evidence about its clinical efficacy, knowledge on the physiologic responses induced by TT is lacking. Objective: The aim of this quantitative randomized pilot study was to determinate if TT, delivered in two modes (resistive and capacitive), affects the perfusion of the skin microcirculation (PSMC) and intramuscular blood flow (IMBF). Design: A randomized controlled pilot feasibility study. Subjects: Ten healthy volunteers (n = 4 females, n = 6 males; mean age 35.9 ± 10.7 years) from a university population were recruited and completed the study. Intervention: All subjects received three different TT applications (resistive, capacitive, and placebo) for a period of 8 min. Outcome measures: PSMC, IMBF, and the skin temperature (ST) were measured pre- and post-TT application using power Doppler sonography, laser speckle contrast imaging (LSCI), and infrared thermography. Results: Compared with placebo application, statistically significant differences in PSMC resulted after both the resistive (p = 0.0001) and the capacitive (p = 0.0001) TT applications, while only the resistive modality compared with the placebo was capable to induce a significant change of IMBF (p = 0.013) and ST (p = 0.0001). Conclusions: The use of power Doppler sonography and LSCI enabled us to evaluate differences in PSMC and IMBF induced by TT application.

KEYWORDS:

diathermy; laser speckle contrast imaging; perfusion imaging; physical therapy modality; regional blood flow; skin temperature

Efficacy and Safety of Extracorporeal Shockwave Therapy for Treatment of Knee Osteoarthritis

Abstract

OBJECTIVE:

The objective of this study was to assess the efficacy and safety of extracorporeal shockwave therapy (ESWT) for treatment of knee osteoarthritis (OA) using a systemic review and meta-analysis.

METHODS:

An extensive search of relevant articles from electronic databases Pubmed, Embase, and Cochrane Library from inception to March 2019 was conducted. The treatment outcomes (visual analog scale [VAS] and the Western Ontario and McMaster Universities Arthritis Index [WOMAC]) of the included articles were pooled to calculate effect sizes. The assessment of heterogeneity among articles was evaluated using I2. Statistical analyses were conducted using RevMan software.

RESULTS:

The results showed that the ESWT group had significant improvement in pain relief compared with the control group through 12 months based on WOMAC and VAS scores. Compared with the baseline level, the patients had significant improvement in pain relief at most follow-up points (one week to 12 months) based on WOMAC and VAS scores. The patients showed significant improvement in physical function at six- and 12-month follow-up when compared with the control group and for all follow-up (one to 12 months) when compared with the baseline level. Additionally, only minor complications were observed after ESWT treatment.

CONCLUSIONS:

The use of ESWT for treatment of knee OA had a beneficial effect on pain relief and physical function improvement for up to 12 months, and only minor complications occurred after ESWT treatment. However, there remains a lack of clarity regarding the frequency and dosage levels of ESWT required to achieve the maximum improvement.

Wang YC1,2Huang HT1,2,3Huang PJ2,3Liu ZM2Shih CL2.

Author information

1
Department of Orthopedics, Kaohsiung Municipal Ta-Tung Hospital, Kaohsiung Medical University, Kaohsiung, Taiwan.
2
Department of Orthopedics, Kaohsiung Medical University Hospital, Kaohsiung Medical University, Kaohsiung, Taiwan.
3
Department of Orthopedics, College of Medicine, Kaohsiung Medical University, Kaohsiung, Taiwan.

Source: https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/31626282

Preliminary evidence of effectiveness of TECAR in lymphedema.

Lymphedema of the lower limbs often contributes to the mobility impairment of morbidly obese patients. Defining novel costeffective protocols is important for reducing treatment costs. The study aimed to assess if Capacitive and Resistive Energy Transfer (TECAR) can reduce edema and the minimum number of sessions needed to observe volume reduction. Forty-eight severely obese subjects (age range: 46-78 years; BMI >40 kg/m2) with bilateral lower limb lymphedema were divided into three groups undergoing either manual lymphatic drainage, pressure therapy, or TECAR, in addition to a multidisciplinary rehabilitation program. They were compared to a control group composed by 12 women (age: 67.4 ± 8.9 years, BMI: 44.6 ± 4.1 Kg/m2) undergoing only the rehabilitation program. A handheld laser scanner 3D system was used for volume measurements. In addition, patients were evaluated with a Timed Up and Go (TUG) test and pain/heaviness of the lower limbs with a Visual Analog Scale (VAS). A significant volume reduction was observed after 6 sessions of TECAR: specifically, in the whole limb (PRE: 9.7+2.8 dm3; POST: 9.4+2.8 dm3; p<0.05) and in the thigh (PRE: 3.5+1.3 dm3; POST: 3.3+1.2 dm3; p<0.05). The TUG and VAS for pain showed a significant improvement in all groups. Our preliminary results suggest that TECAR can provide a relatively early reduction of lower limb edema with improvement of patients’ function and pain.

KEYWORDS:

TECAR; lymphatic treatment; lymphedema; obesity; rehabilitation

Author information

1
Istituto Auxologico Italiano, IRCCS, Rehabilitation Unit and Research Lab in Biomechanics and Rehabilitation, Italy.
2
Department of Electronics, Information and Bioengineering, Politecnico di Milano, Milan, Italy.
3
Freelance Physiatrist, Reggio Emilia, Italy.